MagazineInterview

Boegbeeld: Piet Stockmans

Een van de boegbeelden van het Limburgse design is meteen ook het boegbeeld van het Limburgse designonderwijs. Hij bouwde niet alleen een succesvolle carrière als ontwerper uit, maar stond ook aan de wieg van een designopleiding en speelde daar dertig jaar lang een vooraanstaande rol in. Een groot deel van de huidige generatie Limburgse ontwerpers werd door hem en zijn collega ’s van het eerste uur opgeleid en gestimuleerd om het beste uit zichzelf te halen. Hiervoor nam hij tijdens de lessen vaak geen blad voor de mond, wat voor sommige studenten soms verwarrend was. Maar hij wist ze ook te inspireren en daar zijn ze hem vandaag nog steeds dankbaar voor. Niemand die ons beter kan vertellen wat het belang van onderwijs is voor ontwerpers in de dop.

De meeste ontwerpopleidingen houden een toelatingsproef voor kandidaat-studenten. Maar hoe weet je of een jonge student er klaar voor is om ontwerper te worden?
Een toelatingsproef zegt weinig over de toekomst van de student. Wat ik altijd heel belangrijk heb gevonden, is dat een kandidaat-student een driedimensionaal inzicht heeft. Als ontwerper is het belangrijk te weten hoe de achterkant van een product eruitziet, zonder het effectief gemaakt te hebben.

MANUELE INTELLIGENTIE 

Aan het conservatorium kun je niet aan de opleiding piano starten zonder als kind al vele uren op dit instrument geoefend te hebben. Zou dit ook voor designers is spe moeten gelden?
Eerdere opleidingen zijn niet van groot belang, maar er zijn wel enkele eigenschappen die een toekomstige ontwerper absoluut moet hebben. Naast het driedimensionale inzicht, waar ik het daarnet over had, is er ook de manuele intelligentie.

Het was niet in de beginjaren, maar pas nadien dat zich een generatie studenten aandiende die veel meer digitaal werkte. Die studenten hadden, bij wijze van spreken, nog nooit een nagel in de muur geklopt. Wij hebben altijd de nadruk gelegd op onderzoek en het zelf ervaren van materialen en machines, van wat wel en niet kan op een machine. Algemeen gezegd: onze studenten moeten handig zijn.

De derde en belangrijkste eigenschap is motivatie. Een toekomstige ontwerper moet gedrevenheid als het ware ademen. Er zijn maar weinig studenten die naar ons komen en zeggen: ‘Ik kom naar hier, omdat ik geen idee heb van wat ik anders zou kunnen doen.’

Zelfs voor mensen in het vak blijven design en al haar disciplines moeilijk te definiëren. Hoe kun je kandidaat-studenten vertellen dat design niet alleen over het vormgeven van wagens gaat en dat ze later waarschijnlijk heel andere projecten zullen uitwerken?
Wat bij ons vooral heel goed werkte, was de manier waarop mensen, die informatie wilden over design, op onze school ontvangen werden en wat we hen lieten zien. Elk jaar was er de prachtige eindejaartentoonstelling. Wij namen de kandidaat-studenten dan mee naar onze afdeling en vertelden over de verschillende vakken. We letten er wel op dat we daar niet te ver in gingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de theorie. Die was natuurlijk belangrijk, maar ze werd steeds toegepast op de praktijk. We legden bijvoorbeeld niet de nadruk op organische scheikunde in verband met kunststoffen, maar onze studenten kregen wel uitleg over matrijzen en over welke kunststof ze konden gebruiken voor welk product. In onze opleiding was er ook een gelijkwaardigheid van theorie- en praktijkdocenten en daardoor een verstrengeling van theorie- en praktijkvakken. Dat was de basis van onze opleiding.

Moeten studenten klaargestoomd worden om na hun opleiding meteen in het werkveld te stromen? Of moeten er kritische ontwerpers gevormd worden, die zichzelf in vraag stellen en zelf een plaats zoeken in de markt?
We moeten zowel het ene als het andere doen en ze zijn niet in tegenspraak met elkaar. Je kunt het ook anders zeggen: als een kunstenaar zijn werk op een eerlijke manier gemaakt heeft, wordt het daarna op de markt gebracht. Dat is voor industriële vormgeving net hetzelfde. Je mag je wel altijd kritisch opstellen ten opzichte van de omgeving, dat hoort bij elk vakgebied, niet enkel bij design.

Geen enkele opleiding levert kant-en-klare werknemers af. Wat onze opleiding zo uitzonderlijk maakte van bij aanvang, was dat we stages inlasten, want in de echte wereld leer je minstens evenveel als op de schoolbanken. De eigenlijke beroepsopleiding gebeurt echter altijd na het onderwijs. Dat is niets speciaals, dat is bij alle opleidingen zo. Niemand heeft meteen na het behalen van zijn of haar diploma al de maturiteit om een beroep uit de oefenen.

Ik gaf altijd de raad mee om eerst vijf jaar ergens te gaan werken en dan pas zelfstandig te worden. Zo leer je de branche kennen en kun je je eigen plekje in de markt zoeken, want daar zijn evenveel soorten ontwerpers nodig als dat er bedrijven zijn.

Wij hebben binnen de opleiding altijd gestreefd naar een goede basis, zodat onze studenten op zoveel mogelijk verschillende terreinen mondig zouden zijn en mee zouden kunnen praten, zonder daarom een specialist te zijn. Dat is nu duidelijk te zien in de richtingen die onze studenten uiteindelijk zijn uitgegaan. Er zijn er die voor een heel technische richting hebben gekozen, anderen trokken naar het onderwijs of zelfs de politiek.

Industriële vormgeving is altijd een algemene opleiding geweest, bedoeld om de taal van anderen te begrijpen. Dat is heel belangrijk voor een ontwerper. Bedrijven zoeken iemand die de taal van de verkoper, van de productie en van de vormgeving spreekt. Vroeger (en vandaag misschien nog steeds) vond een verkoper het product dat het best verkocht het mooiste en koos een bedrijfsleider voor het best te produceren product. De vormgever van vandaag heeft de verantwoordelijkheid de uiteenlopende eisen in balans te brengen en ze op een verantwoorde manier vorm te geven. Dat esthetische aspect werd in onze opleiding nooit op de eerste plaats gezet. We vertrokken altijd vanuit een eisenpakket. Bij een goed esthetisch gevoel van de ontwerper komt die schoonheid vanzelf.

Het klassiek design- en kunstonderwijs was steeds gericht op een intensieve en persoonlijke begeleiding. Binnen het huidige onderwijs komt het zelfstandig vergaren van kennis en vaardigheden door studenten steeds centraler te staan. Kan de persoonlijke begeleiding volgens jou vervangen worden door onlinelessen of zelfstudie?
Neen, ik vind dat helemaal fout. Onderwijs is in contact komen met mensen, alles uit de studenten proberen halen, creativiteit ontwikkelen, aanmoedigen, werken bespreken, adviseren, enzovoort. Dat kan niet ex cathedra. Misschien werkt dat voor de advocatuur, maar ik betwijfel het. Net de informatie die rond de wetgeving verteld wordt, is interessanter dan de wet zelf. Maar dat kan alleen op een persoonlijke manier.

Wij hebben ook steeds in groep les gegeven en opdrachten besproken. Misschien vertelden wij wel twintig keer hetzelfde, maar onze studenten hoorden ook twintig keer hetzelfde en zo bleef dat hangen. Alles wat je individueel bespreekt, geldt telkens ook voor de hele klas. Onderwijs is groepswerk en een goede gelegenheid voor een klankbord. De docent is een katalysator, iemand bij wie de studenten ideeën kunnen toetsen. Zo maak je samen het onderwijs. Geen enkele docent heeft alleen de waarheid in pacht. De studenten zijn daarin even belangrijk als de docent.

Binnen deze onderwijsveranderingen verschuift ook de rol van de docent. Welke houding moet hij volgens jou aannemen?
Hoe groter zijn persoonlijkheid is, hoe sterker zijn invloed en impact zullen zijn. Eigenlijk moet hij werken met het materiaal dat hij krijgt en moet hij dat materiaal door en door kennen. Sommige studenten hadden problemen met de persoonlijke vragen die ik stelde, ik wilde weten uit welk nest ze kwamen. Ik vond dat, als ik iemands werk moest beoordelen, ik ook moest begrijpen waarom hij dat op die manier gemaakt had.

Met welk recht beoordeel ik zijn werk als ik de achtergrond ervan niet ken? Ik stopte nooit bij ‘Het is niet goed’, ik bleef advies geven om het werk te verbeteren. Zoiets kan niet vanop afstand.

Een veelgehoorde boutade is dat docenten in het kunst- en designonderwijs zelf slechte of mislukte kunstenaars en ontwerpers zijn. Moet je een groot designer zijn om studenten te kunnen opleiden? Is een goede designer vanzelfsprekend ook een goede designdocent of zijn dit volgens jou twee totaal verschillende kwaliteiten?
Een goede ontwerper is niet altijd een goede docent en er zijn goede docenten die absoluut geen ontwerpers zijn. Ik heb ooit het verhaal gehoord van een docente piano, die les gaf aan de beste pianisten. Haar leerlingen deden mee aan de Koningin Elisabethwedstrijd. Toen haar werd gevraagd waarom ze zelf nooit had deelgenomen, zei ze: ‘Omdat ik niet goed piano kan spelen.’ (lacht) Je weet hoe het moet en je kunt het goed uitleggen, maar dat maakt van jou nog geen groot pianist.

Wat was jouw persoonlijke drijfveer om ontwerpers op te leiden?
Ik zag het als een roeping.