MagazineInterview

Piet Stockmans: Sonjakopje

Kunstenaar en keramist Piet Stockmans was van 1966 tot 1989 industrieel ontwerper bij porseleinfabriek Royal Mosa B.V. in Maastricht.

Met Studio Pieter Stockmans – gevestigd in het voormalige metaalmagazijn van de steenkoolmijn van Winterslag – focust hij zich sinds 1987 op kleine, unieke collecties.

Een dun kopje met een inspringend gleufje aan de onderkant, zodat het gestapeld kon worden. Dat was de Astridkop die Stockmans in 1966 in opdracht van Mosa ontwierp. Het kopje werd de grondslag voor de latere Sonjakop, die de kopjeswereld – welja – op zijn kop zette.

“Mosa maakte allang veel mooie, rechte kopjes. Toen ik me afvroeg hoe ik daar als ontwerper iets nieuws aan kon toevoegen, kwam ik tot de vaststelling dat Nederlanders klein woonden en weinig plaats hadden. Daarom kwam ik in 1967 met een dun en recht, stapelbaar kopje.” En dat was not done. Want dunne kopjes werden als chic beschouwd, terwijl stapelbare kopjes typisch iets voor de horeca en hotels waren. Twee jaar later hield aardewerkfabrikant Sphinx op met de productie van serviesgoed, waardoor Mosa een stuk van de markt inpalmde en zich ook kon richten op de horeca en het hotelwezen. En toen kwam Sonja, de vernieuwde en iets dikkere versie van Astrid.

“Het ontwerpen zelf duurde niet lang, het is het opzetten van de productie waar tijd in kruipt, tot een half jaar in dit geval. Mallen maken, testen doen, het product op punt stellen, iets dat ik begeleidde, maar waarvoor ik niet de verdere verantwoordelijkheid droeg.”

Sonja werd een iets eleganter model dan de plompe kopjes in de hotelmarkt. Het kopje werd een instant succes in de sector en dat succes bleef maar groeien.

“De koffiekopjes in Nederland waren met hun inhoud van 160 cc kleiner dan in de rest van de wereld. Zodra de klanten overschakelden op Sonja, konden de concurrerende fabrikanten hun producten niet meer combineren met die kopjes, om de simpele reden dat zij andere afmetingen en stapelmogelijkheden hadden. Als ze geen klanten wilden verliezen, moesten ze wel combineerbaar worden met Sonja.” Op een bepaald moment werden er maar liefst zeventien kopieën van de Sonjakop op de markt geteld, wat het succes nog vergrootte. Bovendien waren het kopieën die Mosa niet kon laten verbieden, aangezien veel fabrikanten ook hun andere producten afnamen. Een terechtwijzing zou dus tot gaten in die afname kunnen leiden.

Stockmans verliet Mosa in 1989, maar voor Sonja’s vijfentwintigste verjaardag in 1994 werd hij weer opgebeld en ontwierp hij een laatste servies, gelinkt aan Sonja. Dat werd Sofie, dat Stockmans zelf het zusje van Sonja noemt. Sofie kreeg een lintje aan de drinkrand en een oor in de vorm van een lint. Het grote succes bleef ditmaal uit, mede omdat het op dat moment bergaf ging met Mosa, dat in 2004 failliet zou gaan. De productie van het servies was tot dan toe wel in Nederland gebleven, maar zou uiteindelijk naar Turkije verhuizen, waar het onder de merknaam Maastricht Porselein geproduceerd zou worden.

Met haar grote stamboom is de Sonjakop een icoon geworden, een soort norm ook. Meer dan een variatie Sonjaborden en de Sonjakop is er niet, omdat de horeca ook niet meer nodig had. Royalty’s heeft Stockmans voor zijn bepalend ontwerp nooit gekregen, maar dat vindt hij logisch, omdat hij werkte voor Mosa.

En dan is er nog de naam. Daar hoeft u zich niet teveel bij voor te stellen. Het kind moest een naam krijgen en daar werden op dat moment simpelweg meisjesnamen voor gebruikt. U had nu net zo goed koffie kunnen drinken uit de Henkkop. Maar dat is dus niet zo.

Dit artikel is deel 03 van

Onzichtbaar design